|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
|
|
| |
 |
- De vijf-jaars relatieve overleving van alle vormen van kanker samen is 59% voor de periode 2003-2007 en is met 7,0% verbeterd ten opzichte van de periode 1993-1997.
- Het aantal sterfgevallen vertoonde vanaf 2000 een stijging, echter wanneer wordt gecorrigeerd voor de bevolkingsgroei en de opbouw hiervan is er sprake van een daling van de kankersterfte over de periode 2000-2007, deze daling is het sterkst bij mannen.
- Het aantal Nederlanders dat sterft aan kanker neemt af. In 2000 stierven 210 per 100.000 Nederlanders aan kanker, terwijl dit in 2007 ongeveer 193 op de 100.000 Nederlanders was.
- Hoewel de sterfte aan longkanker bij mannen is gedaald tussen 2000 en 2007, stijgt het aantal vrouwen (per 100.000) dat sterft aan longkanker.
- De sterfte ten gevolge van darmkanker (per 100.000) is niet veranderd tussen 2000 en 2007.
- De dertig-dagen-mortaliteit varieerde van 2% bij blaaskanker tot 6% bij maag en colonkanker in 2007.
- Het percentage lokaal recidieven 5 jaar na diagnose bij patiënten waarbij in 2003 borstkanker werd gediagnosticeerd is 2,7%.
- Het percentage lokaal recidieven ligt iets hoger bij vrouwen die een amputatie hebben ondergaan in vergelijking met de vrouwen die borstbesparend zijn geopereerd, namelijk 3,0 versus 2,4%.
|
|
 |
 |
| Postoperatieve sterfte |
 |
2007 |
 |
 |
2008 |
 |
 |
2009 |
 |
 |
Doel 2010 |
 |
|
|
|
 |
| Lokaal recidieven (borst) |
 |
2007 |
 |
 |
2008 |
 |
 |
2009 |
 |
 |
Doel 2010 |
 |
|
|
|
 |
| Sterfte per 100.000 |
 |
2007 |
 |
 |
2008 |
 |
 |
2009 |
 |
 |
Doel 2010 |
 |
|
|
|
 |
| Relatieve overleving |
 |
2007 |
 |
 |
2008 |
 |
 |
2009 |
 |
 |
Doel 2010 |
 |
|
|
|
|
|
 |
 |
| Lokale recidieven |
Bekijk figuur
Verberg figuur
|
Percentage lokaal recidieven binnen 5 jaar na chirurgische behandeling bij vrouwen met borstkanker gediagnosticeerd in 2003 |
|
|
|
|
 |
Indicator
- Postoperatieve sterfte (dertig-dagen-mortaliteit)
- Percentage Lokaal recidieven
- Sterfte
- Vijf-jaars relatieve overleving en verbetering in vijf-jaars relatieve overleving
Doelstelling Het streven is naar een verbetering van de uitkomsten ten opzichte van 2000. Dat wil zeggen een verbetering in de vijf-jaars relatieve overleving, daling van sterfte ten gevolge van kanker, reductie van het aantal patiënten dat binnen 30 dagen na een chirurgische behandeling sterft en minder lokaal recidieven.
|
| | Wat laten de resultaten zien? |
 |
Postoperatieve sterfte
- Colon- en maagkanker hebben van de genoemde tumoren de hoogste postoperatieve sterfte in 2007, respectievelijk 6,4% en 6% van de geopereerde patienten overlijdt binnen 30 dagen na operatie.
- Blaaskanker heeft de laagste postoperatieve mortaliteit in 2007; 2% sterft binnen 30 dagen na operatie.
Lokaal recidief
- Van de geopereerde vrouwen met borstkanker kreeg 2,7% van de patiënten die in 2003 gediagnosticeerd zijn een lokaal recidief binnen vijf jaar.
- De proportie lokaal recidieven na een amputatie ligt iets hoger dan de proportie recidieven na een borstsparende operatie, namelijk 3,0 versus 2,4% voor patiënten die in 2003 gediagnosticeerd zijn.
Sterfte aan kanker
- Er stierven in 2008 41.874 personen ten gevolge van kanker (bron: CBS). Dit is ten opzichte van het jaar 2000 een toename van ruim 4000 sterfgevallen. Dit is een stijging van bijna 11%.
- Het aantal sterfgevallen vertoonde vanaf 2000 een stijging, echter wanneer wordt gecorrigeerd voor de bevolkingsgroei en -opbouw is er sprake van een daling van de kankersterfte, vooral bij mannen.
- Het aantal Nederlanders dat sterft aan kanker neemt af. In 2007 stierven ongeveer 193 op de 100.000 Nederlanders aan kanker, terwijl dat in 2000 nog 210 per 100.000 Nederlanders was.
- Vooral voor mannen neemt de sterfte aan kanker af. In 2000 overleden 261 op de 100.000 mannen aan kanker, in 2007 waren dat er 233.
- Bij vrouwen deed zich nauwelijks een daling voor. Het aantal vrouwen dat aan kanker stierf, ging tussen 2000 en 2007 terug van 158 naar 152.
- De sterfte aan borst- en prostaatkanker (per 100.000) is licht gedaald tussen 2000 en 2007.
- De sterfte aan darmkanker per 100.000 is niet veranderd tussen 2000 en 2007.
- Hoewel de sterfte aan longkanker per 100.000 onder mannen duidelijk is gedaald tussen 2000 en 2007, is deze gestegen voor vrouwen.
Vijf-jaars relatieve overleving
- Voor alle lokalisaties samen is de vijf-jaars relatieve overleving gestegen. De relatieve overleving van kankerpatiënten is verbeterd met 7,0% in de periode 2003-2007 ten opzichte van 1993-1997. De vijf-jaars relatieve overleving van kankerpatiënten (alle lokalisaties samen) gediagnosticeerd in de periode 2003-2007 is 59%. Vrouwen (62%) hebben een betere vijf-jaars relatieve overleving dan mannen (56%).
- Voor borstkankerpatiënten is de vijf-jaars relatieve overleving gestegen. De verandering over de periodes 1993-1997 en 2003-2007 laat een toename van overleving van 6,0 % zien. De vijf-jaars relatieve overleving van borstkankerpatiënten gediagnosticeerd in de periode 2003-2007 is 85%.
- Voor prostaatkankerpatiënten is de vijf-jaars relatieve overleving gestegen met 9,0% van 76% in de periode 1993-1997 tot 85% in de periode 2003-2007.
- Voor darmkankerpatiënten is de vijf-jaars relatieve overleving verbeterd met 4,0% tussen de periodes 1993-1997 en 2003-2007. De vijf-jaars relatieve overleving van patiënten met colon- en rectumkanker gediagnosticeerd in de periode 2003-2007 is respectievelijk 59% en 62%.
- De vijf-jaars relatieve overleving voor longkanker is 14% in de periode 2003-2007 en is verbeterd met 1,0% ten opzichte van 1993-1997. De vijf-jaars relatieve overleving van patiënten met een niet-kleincellig longcarcinoom gediagnosticeerd in de periode 2003-2007 is 15% en is 1% hoger dan in de periode 1993-1997. De vijf-jaars relatieve overleving van patiënten met een kleincelliglongcarcinoom gediagnosticeerd in de periode 2003-2007 is 5% en eveneens 1% gestegen t.o.v. 1993-1997.
- Hoewel de veranderingen langzaam gaan, zijn de overlevingskansen van kankerpatiënten de afgelopen decennia gestaag gestegen. Dit is een resultaat van het feit dat tumoren in een eerder stadium worden ontdekt, effectiever behandeld worden en doordat een aantal vormen van kanker met slechte overlevingskansen (maagkanker, longkanker bij mannen) minder voorkomen.
|
| | Acties in het kader van NPK |
 |
Het verbeteren van de bovengenoemde uitkomsten en in het bijzonder overleving van kankerpatiënten en het terugdringen van de sterfte ten gevolge van kanker is een belangrijk beoogd doel van het NPK. De overleving van kankerpatiënten is een resultante van verschillende aspecten; het in een voor- of vroegstadium ontdekken van de kanker, het verbeteren van de diagnostiek en behandeling en nazorg dragen hier aan bij. Het optimaliseren van behandelingen en zorg zal ook bijdragen aan het verlagen van de postoperatieve sterfte en het aantal lokaal recidieven. Acties gericht op bovengenoemde aspecten staan centraal in de verschillende thema’s en onderdelen van het NPK.
|
| | Waarom is dit belangrijk? |
 |
De eerste vraag die een patiënt stelt aan zijn of haar arts wanneer de diagnose kanker is gesteld is vaak: “Dokter hoelang heb ik nog?”. Vele verschillende factoren en interventies, zoals sociaal-economische status, public awareness, bevolkingsonderzoeken, verbeterde diagnostiek, stadiering en therapie (inclusief palliatief), landelijke richtlijnen, benchmark etc, hebben geresulteerd in verbetering van de overleving. Desalniettemin is het de verwachting dat op het gebied van overleving nog aanzienlijke winst te behalen valt. Overleving hangt uiteraard nauw samen met sterfte. Sinds 2007 is kanker de belangrijkste doodsoorzaak in Nederland. Ondanks verbeteringen in de vroege opsporing en de behandeling, overlijden er jaarlijks in Nederland ruim 40.000 mensen aan kanker (CBS). Volgens schattingen kan ongeveer 40% van de sterfgevallen ten gevolgen van kanker worden voorkomen. De geschatte bijdrage van belangrijke risicofactoren aan deze vermijdbare sterfte aan kanker is 21% door roken, 5% door alcoholgebruik en 5% door (te lage) fruit- en groenteinname (Danaei et al, 2005). Interventies gericht op deze aspecten zouden de sterfte mogelijk aanzienlijk kunnen verlagen. Interventies gericht op het optimaliseren van zorg- en behandelmethoden, zouden zowel een verdere stijging in de relatieve overleving als een daling in sterfte kunnen bewerkstelligen. Eveneens zal dit positieve gevolgen hebben op de dertig-dagen-mortaliteit en het percentage lokaal recidieven, aangezien beiden worden gezien als een indicator voor de kwaliteit van de geleverde zorg/behandeling.
|
| | Technische informatie |
| | Definities |
 |
Postoperatieve sterfte Postoperatieve mortaliteit wil zeggen het percentage van alle patiënten die een chirurgische behandeling bij kanker hebben ondergaan dat binnen 30 dagen na de operatie sterft (per tumorsoort apart weergegeven). De cijfers betreffen alleen patiënten waarbij de tumor chirurgisch verwijderd is. Patiënten die geopereerd zijn, maar waarbij de tumor niet verwijderd is, zijn dus niet meegenomen in de berekening.
Lokaal recidief
De definitie van lokaal recidieven bij borstkanker is dezelfde als gebruikt wordt voor Zichtbare Zorg Ziekenhuizen (mamma-indicator). Het is de proportie vrouwen van het totaal aantal vrouwen (die voor het eerst een invasieve borsttumor hebben, daarvoor curatief worden behandeld en een chirurgische behandeling hebben ondergaan), dat binnen vijf jaar na de chirurgische behandeling een lokaal recidief hebben.
Sterfte aan kanker
Sterfte wordt weergegeven op weergegevens als:
- Het absolute aantal sterfgevallen ten gevolge van kanker per geslacht en totaal.
- Het aantal sterfgevallen ten gevolge van kanker per 100.000 inwoners per geslacht en totaal, voor leeftijd gestandaardiseerd gebaseerd op de Europese standaard bevolking (European Standardised Rate).
Vijf-jaars relatieve overleving
Relatieve overleving wil zeggen dat de waargenomen overleving in de patiëntengroep is gecorrigeerd voor de verwachte overleving in de algemene bevolkingsgroep van dezelfde leeftijd en geslacht. Hierdoor wordt de ziektespecifieke overleving benaderd. De overlevingscijfers hebben betrekking op patiënten bij wie in de genoemde periodes voor het eerst de diagnose kanker is gesteld (eerste primaire tumoren).
|
| | Databronnen |
 |
Postoperatieve sterfte
De postoperatieve sterfte oftewel 30-dagen-mortaliteit is afkomstig uit de Nederlandse Kankerregistratie (Oncomonitor). De Oncomonitor is een verzameling van indicatoren die beschikbaar is voor de ziekenhuizen en inzicht geeft in de kwaliteit van zorg. Gegevens van de kankerregistratie worden gebruikt om de indicatoren te bepalen.
Lokaal recidief
Gegevens over lokaal recidieven bij borstkanker worden vanaf 2009 projectmatig geregistreerd door de Nederlandse Kankerregistratie aangezien dit een indicator is binnen het programma Zichtbare Zorg Ziekenhuizen.
Sterfte
Gegevens over sterfte ten gevolge van kanker in Nederland worden verzameld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (www.cbs.nl). In de doodsoorzakenstatistiek van het CBS zijn alle overleden inwoners van Nederland opgenomen op vierpositie postcodeniveau, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en doodsoorzaak. De doodsoorzaken zijn gecodeerd volgens de ICD-10 coderingsmethodiek. De sterftecijfers per 100.000 van de bevolking zijn gestandaardiseerd naar leeftijd gebaseerd op de Europese Standaard Bevolking (ESR) op basis van de absolute sterftecijfers van het CBS. Deze standaardisatie wordt uitgevoerd door de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) van de Vereniging van de Integrale Kankercentra (VIKC) en de cijfers zijn te vinden op www.ikcnet.nl.
Relatieve overleving
De gepresenteerde gegevens over de relatieve overleving zijn afkomstig uit de Nederlandse Kankerregistratie. Sinds 2007 wordt jaarlijks gekoppeld met de Gemeentelijke Basisadministratie, zodat bekend is of de patiënt nog in leven is.
|
| | Aandachtspunten ten aanzien van de gegevens |
 |
Postoperatieve sterfte De cijfers betreffen alleen geopereerde patiënten.
Lokaal recidief
De cijfers betreffen alle vrouwen die in 2003 werden gediagnosticeerd met een curatief behandeld eerste invasief mammacarcinoom zonder metastasen. Patiënten met een T4-tumor en patiënten bij wie na operatie nog macroscopische tumorrest aanwezig was, zijn geëxcludeerd. Ook patiënten die in het buitenland werden geopereerd, werden geëxcludeerd.
Sterfte aan kanker
- De gegevens uit de CBS Doodsoorzakenstatistiek zijn afhankelijk van de wijze waarop artsen de doodsoorzaak registreren en de wijze waarop het CBS met de gegevens omgaat.
Vijf jaars relatieve overleving
- Overlevingscijfers van de patiënten in de NKR zijn beschikbaar door middel van een jaarlijkse koppeling met de Gemeentelijke Basisadministratie, welke vanaf 1-10-1994 is geautomatiseerd.
- De overlevingscijfers van patiënten gediagnosticeerd vóór 1-10-1994 zijn gebaseerd op gegevens uit 4 regio’s (IKA, voormalig IKN, IKO en IKZ-Oost). Deze cijfers zijn representatief voor heel Nederland.
- De overlevingskansen van patiënten met kanker kunnen aanmerkelijk verschillen, afhankelijk van de aard van de aandoening, het stadium waarin de ziekte is vastgesteld en de aanwezigheid van co-morbiditeit. In de weergegeven relatieve overlevingscijfers is geen rekening gehouden met het stadium bij diagnose. Indien deze cijfers gebruikt worden om vergelijkingen te maken (bijvoorbeeld tussen regio´s of ziekenhuizen) is het nodig in ieder geval hiervoor te corrigeren. Hetzelfde geldt voor co-morbiditeit, echter deze gegevens zijn slechts beperkt beschikbaar.
|
| | Nederland in vergelijking |
 |
Sterfte aan kanker In vergelijking met andere landen is het Nederlandse sterftecijfer t.g.v. kanker hoger dan gemiddeld in Europa (Ferlay et al, 2001 & 2006; OECD, 2009). De laagste sterftecijfers in 2006 werden gevonden in Mexico, gevolgd door de Scandinavische landen (behalve Denemarken) en Zwitserland. De hoogste sterftecijfers t.g.v. kanker werden gevonden in Hongarije, Tsjechië, Polen en Slowakije. Voor mannen en vrouwen samen staat Nederland op de 21e plaats van de 30 landen. Verschillen in (leeftijds-gestandaardiseerde) sterfte aan kanker tussen landen kunnen worden verklaard door zowel niet-medische factoren, waaronder de blootstelling aan risicofactoren zoals roken, als medische factoren, waaronder vroege opsporing en effectieve behandeling van de verschillende typen kanker. Nederland heeft internationaal gezien een hoge sterfte in de categorie rookgerelateerde kankers, net als Hongarije, Polen, Tsjechië en Slowakije. Zweden daarentegen heeft het laagste percentage aan rokers onder volwassenen en na Mexico heeft het ook het laagste sterftecijfer aan longkanker. Wat betreft sterfte aan borstkanker heeft Nederland samen met Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk de hoogste mortaliteitscijfers. Ook het sterftecijfer van prostaatkanker ligt hoger dan het gemiddelde van alle OECD landen (OECD, 2009).
Relatieve overleving
In de studie EUROCARE worden overlevingscijfers van verschillende Europese landen met elkaar vergeleken. Voor alle lokalisaties van kanker samen, gediagnosticeerd in de jaren 2000-2002, is de gemiddelde Europese (leeftijdsgecorrigeerde) relatieve vijf-jaars overleving voor mannen 47,3% (46,8-47,8) en voor vrouwen 55,8% (55,3-56,2) (Verdecchia, 2007). Uit deze studie blijkt dat de overleving van Nederlandse mannen iets onder het Europese gemiddelde ligt (47,1%) en voor vrouwen boven het gemiddelde (58,3%). Voor de veel voorkomende kankers borstkanker, prostaatkanker, longkanker en colorectale kanker ligt de vijf-jaars relatieve overleving in Nederland hoger dan het gemiddelde in de EUROCARE landen. De overleving van kankerpatiënten gediagnosticeerd in 2000-2002 is over het algemeen het hoogst in Noord-Europese landen en het laagst in Oost-Europese landen. Echter, de verbetering in overleving van de meest voorkomende typen kanker is het hoogst bij patiënten in Oost Europa gedurende de periode 1991-2002 (Verdecchia, 2007).
|
| | Literatuur en verwijzingen |
 |
- Berrino F, De Angelis R, Sant M, Rosso S, Bielska-Lasota M, Coebergh JW, Santaquilani M; EUROCARE Working group., Survival for eight major cancers and all cancers combined for European adults diagnosed in 1995-99: results of the EUROCARE-4 study, Lancet Oncol. 2007 Sep;8(9):773-83.
- Boyle, P., Smans, M. Atlas of Cancer Mortality in the European Union and the European Economic Area, 1993-1997, IACR, 2008.
- Danaei G, Vander Hoorn S, Lopez AD, Murray CJ, Ezzati M. Causes of cancer in the world: comparative risk assessment of nine behavioural and environmental risk factors Lancet, 2005, 366:1784-1793.
- Eurocare III
- Eurocare IV
- Ferlay J, Autier P, Boniol M, et al., Estimates of the cancer incidence and mortality in Europe in 2006, Annals of Oncology 2006, 18 (3), p581 -592.
- Ferlay J, Bray F, Pisani P, Parkin DM: GLOBOCAN 2000: Cancer Incidence, Mortality and Prevalence Worldwide, Version 1.0. Lyon, IARC, 2001
- OECD, Health at a Glance, OECD indicators 2009.
- Sant M, Allemani C, Santaquilani M, Knijn A, Marchesi F, Capocaccia R; EUROCARE Working Group, EUROCARE 4 Survival of cancer patients diagnosed in 1995-1999, results and commentary, European Journal of Cancer, 2009; 45: 931-991.
- Verdecchia A, Francisci S, Brenner H, Gatta G, Micheli A, Mangone L, Kunkler I, EUROCARE-4 Working Group, Recent cancer survival in Europe: a 2000-02 period analysis of EUROCARE-4 data, Lancet Oncol. 2007 Sep;8(9):784-96.
- ICD-O Internationale Classificatie van Ziekten voor Oncologie, derde editie, WHO, 2000.
- www.cbs.nl
- www.ikcnet.nl
|
|
|
|
|
|
|
|